Resultaten

1.1.1 Niet-tekstuele content

Niet-tekstuele content is alles op een pagina wat geen gewone tekst is. Denk aan foto’s, illustraties, iconen, grafieken, emoji, geluiden en video’s. Geef deze content een tekstalternatief. Dat is een tekst die dezelfde informatie geeft als de content zelf, of hetzelfde doet. Mensen met een visuele beperking kunnen deze niet-tekstuele content niet (of niet goed) […]

1.2.1 Louter-geluid en louter-videobeeld (vooraf opgenomen)

Voor opgenomen geluidsfragmenten en filmpjes zonder geluid moet je een alternatief bieden. Mensen die doof of slechthorend zijn kunnen een podcast niet horen. Mensen die blind of slechtziend zijn kunnen niet zien wat er in een animatie gebeurt. Voor geluidsfragmenten (zoals een podcast) voeg je een transcript toe. Daarin staat alle gesproken tekst en alle […]

1.2.2 Ondertitels voor doven en slechthorenden (vooraf opgenomen)

Als je een filmpje op je website publiceert, zorg dan ook voor goede ondertitels. Deze zijn belangrijk voor mensen die doof of slechthorend zijn omdat zij geluid van een filmpje niet (of niet goed) horen. Het kan ook handig zijn in lawaaierige omgevingen of voor mensen die de taal niet helemaal verstaan. Ondertitels voor doven […]

1.2.3 Audiodescriptie of media-alternatief (vooraf opgenomen)

Mensen met een visuele beperking kunnen het beeld van een filmpje niet (of niet goed) zien. Daarom moet je de visuele informatie op een andere manier aanbieden. Je hebt twee opties: Een audiodescriptie beschrijft de belangrijke details die wel te zien zijn maar niet af te leiden zijn uit het geluid, zoals een tekst in […]

1.2.4 Ondertitels voor doven en slechthorenden (live)

Als je live video streamt (zoals een webinar of raadsvergadering), zorg dan ook voor goede ondertitels. Deze zijn belangrijk voor mensen die doof of slechthorend zijn, maar het kan ook handig zijn in lawaaierige omgevingen of voor mensen die de taal niet helemaal verstaan. In ondertitels voor doven en slechthorenden worden ook de belangrijke geluiden […]

1.2.5 Audiodescriptie (vooraf opgenomen)

Mensen met een visuele beperking kunnen het beeld van een filmpje niet (of niet goed) zien. Daarom is een audiodescriptie zo belangrijk. Een audiodescriptie beschrijft de belangrijke details die wel te zien zijn maar niet af te leiden zijn uit het geluid, zoals een tekst in beeld of een belangrijke handeling die wordt uitgevoerd. Als […]

1.3.1 Info en relaties

Met vormgeving laat je veel structuur zien. Een kop is groot en vet. Een lijst heeft opsommingstekens. Een tabel heeft rijen en kolommen. En een label staat naast het veld waar het bij hoort. Die structuur en die relaties moeten ook in de code staan, of in de tekst zelf. Dan blijven ze bestaan als […]

1.3.2 Betekenisvolle volgorde

De volgorde van de content in de code bepaalt de leesvolgorde. Een schermlezer leest de content in die volgorde voor. Zonder opmaak verschijnt de content ook in die volgorde. Met CSS kun je de content op het scherm in een andere volgorde zetten. Wat iemand ziet, kan dus afwijken van wat een schermlezer voorleest. Een […]

1.3.3 Zintuiglijke eigenschappen

Mensen met een visuele beperking kunnen een instructie die alleen vorm, kleur, omvang of plek noemt niet (of niet goed) volgen. Een schermlezer kondigt de instructie wel aan, maar vertelt niet welke vorm, kleur of plek een onderdeel heeft. Mensen met een auditieve beperking, missen een instructie die alleen met geluid werkt. Gebruik in instructies […]

1.3.5 Identificeer het doel van de input

Leg in de code vast waar een invoerveld voor is. Dat geldt voor velden die gegevens over de gebruiker zelf vragen, zoals naam, e-mailadres, telefoonnummer of adres. Sommige mensen met een cognitieve beperking begrijpen niet altijd uit het label wat ze moeten invullen. Als het doel in de code staat, dan kan de browser de […]

1.4.1 Gebruik van kleur

Gebruik kleur niet als enige visuele middel om informatie over te brengen, een actie aan te geven, tot een reactie op te roepen of een visueel element te onderscheiden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan: Dit criterium gaat over mensen die wel zien, maar kleuren niet allemaal op dezelfde manier zien. Mensen die kleurenblind zijn, mensen die […]

1.4.2 Geluidsbediening

Start er op je pagina geluid dat automatisch start en langer dan 3 seconden duurt? Dan moeten gebruikers dat geluid kunnen pauzeren of stoppen. Een volumeregelaar mag ook, als het geluid daarmee helemaal uit kan. Die regelaar moet los werken van het volume van de computer of telefoon. Automatisch betekent hier: het geluid start zonder […]

1.4.3 Contrast (minimum)

Tekst met te weinig contrast is lastig te lezen. Mensen die slechtziend zijn of minder goed contrast zien, kunnen zulke tekst vaak helemaal niet lezen. Dat geldt ook voor veel ouderen. Gebruik daarom tekst met een contrastverhouding die hoog genoeg is. De contrastverhouding is een maat voor het verschil in helderheid tussen twee kleuren. Het […]

1.4.5 Afbeeldingen van tekst

Gebruik echte tekst in plaats van een afbeelding van tekst, als je dezelfde weergave ook met HTML en CSS kunt maken. Mensen kunnen echte tekst aanpassen aan hun eigen behoeften. Zo kunnen mensen die slechtziend zijn of mensen die dyslexie hebben bijvoorbeeld de grootte, de kleur, het lettertype of de regelafstand van de tekst aanpassen. […]

1.4.11 Contrast van niet-tekstuele content

Mensen die slechtziend of kleurenblind zijn, zien onderdelen met weinig contrast slecht of helemaal niet. Denk aan een lichtgrijze rand om een invoerveld of een bleek icoon. Zorg daarom dat bedieningselementen en informatieve afbeeldingen goed te zien zijn tegen de kleuren ernaast. Succescriterium 1.4.11 vraagt een contrastverhouding van minstens 3:1. Bij bedieningselementen gaat het om […]

2.3.1 Drie flitsen of beneden drempelwaarde

Flitsende content kan bij mensen met fotosensitieve epilepsie een aanval veroorzaken. Daarom mag content niet vaker dan 3 keer per seconde flitsen. Een flits is een snelle wisseling van licht naar donker en weer terug, of andersom. Flitsen van en naar fel rood zijn extra gevaarlijk. Flitst content toch vaker dan 3 keer per seconde? […]

2.4.2 Paginatitel

Elke webpagina heeft een titel nodig die beschrijft waar de pagina over gaat. Zo weten gebruikers waar ze zijn, zonder eerst de content te lezen. Die titel zie je in je browser als de naam van een tabblad. Zo kunnen mensen de pagina terugvinden, ook als er bijvoorbeeld meerdere tabbladen open staan. Ook hulptechnologieën maken […]

2.4.4 Linkdoel (in context)

Gebruikers moeten begrijpen wat een link doet of waar die naartoe gaat, voordat ze de link volgen. Dat kan door een duidelijke linktekst te schrijven, of door de context van de link te gebruiken om het duidelijk te maken. Schermlezers kunnen een overzicht tonen van alle links op een pagina. In dit overzicht staan alle […]

2.4.6 Koppen en labels

Koppen en labels beschrijven waar content over gaat of waar een bedieningselement voor is. Zo vinden gebruikers sneller wat ze zoeken. Het gaat om het label dat iedereen ziet: de tekst of het icoon bij een bedieningselement. Koppen en labels hoeven niet lang te zijn. Eén woord of zelfs één teken is genoeg, als het […]

2.5.3 Label in naam

Een bedieningselement heeft vaak twee soorten tekst. Het label is de tekst die je op het scherm ziet, op of vlak bij het element. De toegankelijke naam is de tekst waarmee hulptechnologie het element herkent, zoals een schermlezer of spraakbediening. Dit succescriterium vereist dat de toegankelijke naam de tekst van het label bevat: in zijn […]

3.1.1 Taal van de pagina

Geef in de code aan in welke taal je pagina is geschreven. Voorleessoftware gebruikt die taal om de tekst goed uit te spreken. Ontbreekt de taal of staat er een verkeerde taal? Dan leest het een Nederlandse tekst misschien voor met een Engelse uitspraak. Die is slecht te verstaan. Ook andere software gebruikt de taal. […]

3.1.2 Taal van onderdelen

Soms staat er tekst op je pagina in een andere taal dan de tekst eromheen. Bijvoorbeeld een Engels citaat in een Nederlandse tekst. Dat heet een taalwissel. Geef in de code aan in welke taal die tekst is geschreven. Voorleessoftware gebruikt die taal om de tekst goed uit te spreken. Als je de taalwissel niet […]

3.2.4 Consistente identificatie

Onderdelen met dezelfde functie moeten op alle pagina’s van je website een consistente naam hebben. Heet de zoekknop op de ene pagina “Zoeken”? Noem hem dan op een andere pagina niet “Vind” of “Doorzoek website”. Dat geldt ook voor verschillende onderdelen die hetzelfde doen, zoals een link “Inloggen” in de header en een knop “Aanmelden” […]

3.3.1 Foutidentificatie

Ontdekt de website automatisch dat iemand iets verkeerd invult? Dan moet de website dat in tekst laten weten. Alleen een rode rand of een icoon zonder tekstalternatief is niet genoeg. Bij elke fout moet duidelijk zijn: Schrijf bijvoorbeeld “E-mailadres is niet ingevuld” of “Het ingevulde e-mailadres is niet geldig”. Welk veld de fout bevat, maak […]

3.3.2 Labels of instructies

Bij elk formulierelement moet zichtbaar zijn wat je moet invullen of kiezen. Dat doe je met een label, een instructie of allebei. Deze moeten zichtbaar zijn voor álle gebruikers. Denk aan een veld waar je je naam invult. Het woord “Naam” boven het veld is het label. Soms is een label niet genoeg. Geef dan […]

3.3.3 Foutsuggestie

Ontdekt de website automatisch een fout en weet de website hoe je die oplost? Dan moet de foutmelding dat ook zeggen. Een suggestie kan zijn: Schrijf bijvoorbeeld “Vul de datum in als dd-mm-jjjj” of “Woonplaats niet gevonden. Bedoel je Doetinchem?” Brengt een suggestie de beveiliging of het doel van de content in gevaar? Dan hoeft […]