Digitale toegankelijkheid betekent dat iedereen een website, app of document kan gebruiken, ook mensen met een functiebeperking. Soms gebruiken ze een hulpmiddel of werken ze op een andere manier, maar het resultaat is hetzelfde. Het is geen aparte versie van je website. Het is dezelfde website, gebouwd zodat meer mensen hem kunnen gebruiken.
Dat gaat vaak mis. Stel dat je online een afspraak bij de huisarts wilt maken, maar de website werkt niet met je schermlezer. Dan moet je bellen of hulp vragen. Zo’n drempel raakt veel mensen. In de EU heeft 1 op de 4 volwassenen een lichte tot zware functiebeperking.
Voor wie is het?
Digitale toegankelijkheid helpt mensen met een permanente functiebeperking. Voorbeelden zijn:
- Visuele beperking
- Auditieve beperking
- Cognitieve, taal- of leerbeperking
- Fysieke of motorische beperking
- Spraakbeperking
Maar iedereen krijgt er vroeg of laat mee te maken, al is het maar tijdelijk of door de omgeving:
- Met een gebroken arm kun je geen muis gebruiken.
- In fel zonlicht zie je je scherm minder goed.
- In een stiltecoupé kun je geen geluid afspelen.
Hoe mensen het web gebruiken
Veel mensen gebruiken een hulpmiddel om het web te bedienen of te lezen. Die hulpmiddelen werken alleen goed als de website er rekening mee houdt.
- Schermlezer: Een schermlezer leest de content voor of zet die om in braille. Veel gebruikers springen van kop naar kop of van link naar link. Daarom moeten koppen echte koppen zijn en moeten linkteksten zonder context te begrijpen zijn.
- Toetsenbord: Sommige mensen gebruiken geen muis, maar Tab, Enter en de pijltoetsen. De focusindicator laat zien waar je bent. Valt die weg, dan weet je niet meer waar je bent op de pagina.
- Vergroting: Met vergrotingssoftware zie je maar een klein deel van het scherm. Informatie die ver uit elkaar staat, mis je dan snel.
- Spraakbesturing: Gebruikers zeggen bijvoorbeeld “klik op Verzenden”. Dat werkt alleen als de naam van de knop overeenkomt met de zichtbare tekst.
- Ondertitels en transcripten: Mensen die doof of slechthorend zijn, lezen wat er gezegd wordt. Ook mensen in een stiltecoupé hebben er baat bij.
Wat gaat er vaak mis?
Uit de jaarlijkse meting WebAIM Million blijkt dat steeds dezelfde fouten bovenaan staan:
- Te weinig contrast: De tekst valt weg tegen de achtergrond. Mensen die slechtziend of kleurenblind zijk kunnen de tekst dan moeilijk of niet lezen.
- Afbeeldingen zonder tekstalternatief: Een schermlezer kan niet vertellen wat er op de afbeelding staat. Mensen die blind zijn, missen dan informatie.
- Invoervelden zonder label: Een schermlezer noemt alleen het type veld. Mensen weten dan niet wat ze moeten invullen.
- Links en knoppen zonder naam: Bij een icoon zonder tekst hoort een schermlezer alleen “knop” of een onbegrijpelijke URL. Ook met spraakbesturing is zo’n knop lastig te bedienen, omdat er geen naam is om uit te spreken.
- Pagina’s zonder ingestelde taal: Een schermlezer kiest dan zelf een taal. Is dat de verkeerde, dan klinkt de tekst onverstaanbaar.
De meeste van deze fouten zijn snel op te lossen als je weet waar je op moet letten.
Wat levert het op?
- Gebruiksvriendelijker voor iedereen: Duidelijke knoppen, begrijpelijke taal en een logische navigatie helpen alle gebruikers.
- Wettelijk verplicht: Voor overheden en veel bedrijven is toegankelijkheid verplicht. Lees meer over Nederlandse en Europese wetgeving.
- Meer bezoekers en klanten: Wie je website niet kan gebruiken, die haakt af. Vaak zonder te laten weten waarom.
- Betere vindbaarheid: Goede koppen, tekstalternatieven en een heldere structuur helpen zoekmachines je content te begrijpen.
Richtlijnen voor toegankelijkheid van webcontent
Om webcontent toegankelijk te maken, heb je duidelijke richtlijnen nodig. Die richtlijnen bestaan: de Web Content Accessibility Guidelines, oftewel WCAG.
Het World Wide Web Consortium (W3C) ontwikkelt WCAG. Dat is de internationale organisatie die standaarden voor het web beheert. Binnen W3C houdt het Web Accessibility Initiative (WAI) zich bezig met toegankelijkheid. WCAG is een internationale standaard en is ook erkend als ISO-standaard (ISO/IEC 40500:2025).
WCAG bestaat uit 4 principes, verdeeld over 13 richtlijnen. Elk van deze richtlijnen bevat toetsbare eisen, ook wel ‘succescriteria’ genoemd. In WCAG 2.2 zijn er 86 succescriteria.
Deze succescriteria zijn ingedeeld in 3 conformiteitsniveaus:
- Niveau A: De basis. Dit zijn de minimale eisen voor toegankelijkheid. Zonder niveau A zijn er grote drempels voor mensen met een functiebeperking.
- Niveau AA: De standaard. Dit is het niveau waar de meeste wetgeving naar verwijst, waaronder de Wet digitale overheid en de Europese toegankelijkheidswet. Niveau AA omvat alle eisen van niveau A plus aanvullende eisen.
- Niveau AAA: Het hoogste niveau. Deze eisen zijn niet altijd haalbaar voor alle soorten content, maar zijn waardevol als extra stap. Wetgeving vereist dit niveau niet als geheel.
Principes en richtlijnen
Principe 1: Waarneembaar
Zorg dat alle gebruikers jouw content kunnen zien, horen of voelen. Denk aan mensen die een schermlezer gebruiken of meer contrast nodig hebben.
De richtlijnen van dit principe zijn:
- Richtlijn 1.1 Tekstalternatieven
- Richtlijn 1.2 Op tijd gebaseerde media
- Richtlijn 1.3 Aanpasbaar
- Richtlijn 1.4 Onderscheidbaar
Principe 2: Bedienbaar
Zorg dat iedereen je website kan bedienen: ook zonder muis, met genoeg tijd en zonder flitsende content. Sommige mensen gebruiken alleen een toetsenbord, spraakherkenningssoftware of andere hulpmiddelen om te navigeren.
De richtlijnen van dit principe zijn:
- Richtlijn 2.1 Toetsenbordtoegankelijk
- Richtlijn 2.2 Genoeg tijd
- Richtlijn 2.3 Toevallen en fysieke reacties
- Richtlijn 2.4 Navigeerbaar
- Richtlijn 2.5 Input modaliteiten
Principe 3: Begrijpelijk
Schrijf helder en zorg dat je website logisch werkt. Mensen moeten snappen wat er gebeurt als ze ergens op klikken. Help mensen bij het invullen van formulieren en het voorkomen van fouten.
De richtlijnen van dit principe zijn:
Principe 4: Robuust
Bouw je website zo dat verschillende browsers en hulpmiddelen, zoals schermlezers, de content goed kunnen presenteren. Nu en in de toekomst.
De enige richtlijn van dit principe is:
Hoe ga je verder?
Je hebt nu een idee van digitale toegankelijkheid is. Wat je ermee doet, dat hangt af van je werk. Kies je rol en lees wat je zelf kunt doen.